De Adelaar in zijn Koninkrijk

 kijkt uit over de ruimte

die in om en over hem ligt.

Hij is rood en eenogig.

Er zit een duif op z’n kop

Die zich oppermachtig waant.

Aan zijn voeten een zeeanemoon

die in en uit floept en zich verbonden weet

met de uitwaaierende raaf

die zijn zwart heeft verloren

en schuilt in camouflage van geel rood en groen  

Op rechts in de diepte wacht een inktvis

Tot de clown zijn kant op komt

Het leven in de zee en in de lucht komt samen

Op de aarde waar de Ik woont

En zich één mag voelen

Met al wat haar omringt

De clown,  de camouflage vormen het schild

Waar binnen zij zich beschermd weet.