Over uiterlijke aanpassingen en onderhuidse spanningen en conflicten

Het zoeken naar bevrediging Als er niet aan de basisbehoeften is voldaan in de kinderjaren, blijven ze doorwerken in de volwassenheid. Wat we niet gekregen hebben, toen we het nodig hadden, blijven we zoeken. Het verlangen blijft onderhuids ons leven bepalen en laat pijnlijke sporen na in ons lichaam.

1. Een eigen plek en Erbij Horen

 Ieder mens heeft recht op een eigen plek, een eigen leefruimte. Dat begint al vroeg. Een kind dat geboren wordt heeft een eigen plaats nodig.

De allereerste meest letterlijke plek van een kind is de baarmoeder. Door het kind in haar lichaam te dragen geeft de moeder impliciet de boodschap: ‘Jij hebt een plaats in mij en ik zorg voor jou. Kinderen spelen graag met hun plek: hutjes bouwen, ergens in kruipen, verstoppertje, boompje verwisselen… Later wordt de eigen plek meer geestelijk:een leefwereld in boeken, in eigen hobby’s, clubs en interesses.

Of een kind zich thuis kan voelen, wordt behalve door het gezin ook bepaald door zijn sociale omgeving. Het kind hoort bij déze familie, déze buurt, déze school en déze sociale klasse. Wanneer er veel verhuisd wordt en een kind steeds weer de eigen omgeving van school en vriendjes verliest, kan het ontworteld raken.

 Heb jij een plek, een eigen plek in je leven? Hoe ziet die plek eruit? Is het letterlijk een

eigen plek of is het meer figuurlijk? Hoe was dat vroeger thuis? Had je een eigen kamer?

En hoe is het met gevoel van erbij horen? Was jij het zwarte schaap of het lievelingskind?

En op school? Werd je gepest of was je de populaire leider van de groep? En hoe is het nu?

Hoor je bij je familie? Bij andere groepen?

 

2. Voeding

 Voeding is een basisbehoefte van levensbelang. Moeten vechten voor voedsel is vernederend voor de menselijke waardigheid. De manier waarop je moeder je als baby heeft gevoed, bepaalde of je je als baby tevreden voelde of niet.

Met voeding wordt niet alleen het letterlijke voedsel voor je lijf bedoeld, maar ook voedsel voor je ziel: aanraking en streling.

Als je als kind geslagen of mishandeld bent, in plaats van geknuffeld en gestreeld,

ben je ernstig in de war geraakt. Een kind kan wennen aan slaag en besluiten dat pijn voelen beter dan helemaal niet voelen.

Behoefte aan voeding heeft ook te maken met zorg en verzorging. Verzorging voor je lichamelijk welzijn maar ook je geestelijk en spirituele gezondheid.

 Wat weet jij van je babytijd? Kreeg je de borst? Hoe lang? Wat voor gevoel krijg je als je daaraan denkt? En hoe was het me je geestelijke voeding? Is er met je gespeeld, werd je aangeraakt en geknuffeld, werd je voorgelezen, kreeg je boeken, werd je mee naar buiten genomen? En nu? Neem je jezelf voeden serieus? Hoe doe je het?

 

3. Steun

 De behoefte aan steun heeft te maken met of je genoeg bent vastgehouden en gedragen.  Als je letterlijk gedragen bent en steun hebt gekregen onder je billen kun je dat in je lijf ervaren. Als je onzeker bent en geen contact voelt met de grond onder je voeten kan dat te maken hebben met een gemis aan steun. Vallen kan een gevolg zijn en been- en rugklachten. De mate en de vorm van steun die je nodig hebt verandert met de leeftijd: gedragen worden, aan de hand lopen, weggebracht en gehaald worden, huiswerksteun, achtergrondsteun, financiële steun, morele steun.

 

Hoe ging het bij jou? Heb je het gevoel dat je voldoende gesteund bent als kind? En wat betekent dat in je volwassen leven? Ben je goed in steun geven of ben je nog altijd op zoek naar steun van buiten?

 

4. Bescherming/Veiligheid

 Als het goed is ben je als kind zodanig beschermd tegen de buitenwereld dat je een innerlijk scherm hebt kunnen ontwikkelen, dat binnen en buiten onderscheidt.

Dit schild kan het kwetsbare en zachte binnen houden en het kwetsende en harde buiten. Het gaat om het ervaren van veiligheid. Als je niet hebt geleerd om jezelf te beschermen, zul je je verharden om je in de buitenwereld te handhaven. Bescherming krijg je door kleding, door warmte, door lekker ingestopt worden in bed, door geruststellend zingen of door de lijfelijke aanwezigheid ten voelen van je ouders of verzorgers. .

Hoewel je je ook onveilig kunt voelen bij te veel aanwezigheid van het gezin waarin je opgroeit. Zoals wanneer iedereen in dezelfde ruimte leeft en alles van elkaar weet.

 Hoe veilig voel jij je in je eigen huis? Of op je werk? En op straat? Wat heeft dat te maken met hoe het vroeger was in het gezin waarin je opgroeide?   

       

 

5. Begrenzing

 Bescherming gaat over gevaar van buiten, begrenzing op gevaar van binnenuit.

Als je jezelf niet kunt afbakenen is het moeilijk de grens tussen jezelf en de te bepalen. Het gevolg is dat je bent overgeleverd aan gevoelens van oneindigheid, mateloosheid en almacht. Je zult je heen en weer geslingerd voelen tussen ‘alles kunnen’ en ‘niets kunnen’. Het is moeilijk om je eigen beperkingen te voelen en ook die van de ander.

Frustraties volgen onvermijdelijk. De illusie dat de wereld om jou draait zul je moeten opgeven.  Als je als kind koppig en dwingend was, moesten je ouders daar zowel flexibel mee omgaan als ‘nee’ kunnen zeggen als dat nodig was.

Als je de grens tussen jou en de ander niet kunt aangeven, is er ook geen duidelijk innerlijk beeld van de ander, als werkelijk iemand anders met goede en slechte eigenschappen. Dat maakt contact maken moeilijk en niet echt bevredigend.

 Kun jij je grenzen aangeven in relatie tot je familie, je vrienden, je collega´s?

Zo ja, hoe doe je dat? Zo nee, hoe komt het? Wat heb je gemist op dit gebied in je opvoeding?

  Gebaseerd op 'De Beleving Schrijven'door Tine van Wijk